Op zondag 19 februari begint langzaam door te dringen wat de gevolgen zijn geweest van het noodweer van de afgelopen dagen. Dat is even schrikken. Want, hoewel het er buiten werkelijk schitterend uitziet en de mensen in de straat weer werktuigelijk maar opgelucht een pad over hun stoep proberen te scheppen (wat onbegonnen werk is) is het in Nederland goed mis.

Om te beginnen heeft het bijna anderhalf etmaal gesneeuwd uit de monsterdepressie die, na haar oversteek over de pool, aan de oostzijde van het hoog op de Noorse Zee precies op ramkoers met Nederland lag. Het was een monstrueus systeem. Doordat echter de hoge druk ten westen ervan stevig was (er ligt een hoog van 1045hPa) en het systeem steeds verder uitdiepte (tot 970hPa) kon er een noord-noordooster storm opsteken die bijna net zo lang huis gehouden heeft. Dat heeft enorme gevolgen gehad. Zo begrijp ik, dat de absurde hoeveelheid sneeuw die hier, in Midden-Nederland ligt, niet per see hier gevallen hoeft te zijn; dat kan van kilometers ver hierheen geblazen zijn.

Ik probeer eerst mijn eigen omgeving te verkennen, maar ik kom niet echt ver. Aan het eind van de straat, waar ik mijn auto heb moeten achterlaten, zie ik een sneeuwduin van minstens twee meter hoog. Daar onder moet mijn auto ergens staan denk ik – en die zullen we de komende tijd toch moeten uitgraven. Verder lopen – of meer: ploeteren – heeft geen zin omdat er geen pad is en de sneeuw soms hoger opgewaaid is dan ik zelf ben. Dus maar weer terug. Mijn straat doet me het meeste denken aan de duinen; de grillige structuren in de sneeuw lijken daar op.  Door de doorstaande wind is alles onherkenbaar veranderd. De sneeuwhoogte varieert van een centimeter of 20 tot meer dan manshoog. Ik kan onmogelijk inschatten hoeveel er nou echt gevallen is. Mijn hele voorgevel is een wit duin geworden dat bijna tot aan de bovenrand van mijn woonkamerraam reikt.

Nederland onherkenbaar

Van Noord-Nederland weten we maar weinig, omdat daar alle voorzieningen zijn uitgevallen: geen stroom, geen gas, geen internet. Op de Veluwe zijn veel bomen gesneuveld die het geruk aan hun stijfbevroren takken niet konden weerstaan. Het bos heeft als een soort sneeuwvanger gewerkt en op sommige plekken ligt de sneeuw metershoog. In Midden-Nederland is het meeste sneeuw terecht gekomen – uit de lucht of ergens anders vandaan. Op het journaal (er is weliswaar nog nergens internet, maar wel weer tv, althans: bij mij wel) zien we absurde beelden die vanuit een helikopter van Noord-Nederland gemaakt zijn. Wat ik zie is volkomen bizar: het lijken wel beelden van de watersnoodramp, maar dan met sneeuw. Complete dorpen waarvan soms alleen nog wat daken uit de sneeuw omhoog steken. Mensen staan op de daken naar de helikopter te zwaaien. Het is een eindeloze witte vlakte zonder de structuren die beschaving kenmerken zoals wegen, sloten, dorpen. Daarvan zie je bijna niets. Maar niet alleen in het noorden: héél Nederland (behalve het zuidoosten) is bedolven onder een alles vervagende witte deken. Sneeuwduinen zijn op open plekken soms tot 4 of meer meter opgewaaid en ze zijn soms tientallen meters lang. Snelwegen zijn onzichtbaar, maar ook de rivieren (die al maanden dichtgevroren zijn) zijn vanuit de lucht niet meer als zodanig herkenbaar. De sneeuwduinen lijken zich vanuit de lucht niets aangetrokken te hebben van bijzaken als snelwegen of rivieren en liggen als lange structuren van noord naar zuid dwars over over Nederland. Nederland is weggevaagd.

In de studio in Hilversum heerst een bedrukte stemmig. Iedereen beseft dat er dagen voor nodig zullen zijn om de meest basale levensaders weer vrij te maken en de bevoorrading weer op gang te brengen. Ze zeggen dat de beelden van Nederland de hele wereld over zijn gegaan. De Minister-President vraagt bevriende landen met klem om alle hulp die geboden kan worden, waarbij het voornamelijk om transport gaat: het vrijmaken van de wegen en middelen om door de lucht goederen (vooral: brandstof en eten) te vervoeren. De Fransen waren al in Nederland. Nu de rest nog.

Thuis best

Dus daar zitten we dan. Ik hoop dat iedereen de nodige voorraden in huis heeft – ik in elk geval wel. Ik besluit een pad door de tuin te graven zodat ik makkelijker bij het brandhout kan – een stapel die trouwens erg snel geslonken is, zie ik tot mijn schrik. De sneeuw gooi ik zo goed en zo kwaad als dat gaat neer bij waar in De Bult vermoed – waarin nog de sneeuw van november verpakt zit. Die bult is nu niet meer te zien in het glooiende mini-duinlandschap dat zich in mijn tuin gevormd heeft, maar ik weet ongeveer waar die zich moet bevinden. Het is een soort poeder dat ik weg schep, wat de klus niet makkelijker maakt omdat het niet aan mijn schep plakt. Van al het geschep krijg ik het wel lekker warm. Met -4,8 graden, weinig wind en een fraai zonnetje is het, eerlijk gezegd, lekker toeven buiten. En absurd mooi. Alles is wit, alles glinstert en eerlijk gezegd vind ik het gewoon een liefelijk tafereel. Ik bedenk me hoe raar het is om hiervan te genieten (want dat doe ik intens) terwijl ik weet dat er miljoenen Nederlanders in de penarie zitten. Met mijn vrouw – die nog steeds in Leiden zit – gaat het gelukkig prima: zij zit in een verwarmd huis en zij hebben voor minstens drie dagen te eten.

Maar wij hebben het hier dus goed: voorraden zat, water uit de kraan (!), verwarming én de met vooruitziende blik aangeschafte fles jenever. Om 5 over 4 besluit ik dat er een ‘5’ in de klok zit. Ik maak een soort zitje in de tuin door een cirkel vrij te graven en de sneeuw een beetje plat te stampen, graaf de gietijzeren buitenkachel uit en zet die op een plank hout min of meer in het midden neer. Na enig zoeken vind ik twee tuinstoelen die ik bij die buitenkachel zet, en maak vuur. Zo, gezeten in mijn witte mini-amfitheater van sneeuw is het gewoon gezellig. Het geflikker van de vlammen weerkaatst op de wanden van mijn kuil. Mijn dochter komt erbij zitten en vraagt of ik geen ijs in m’n borrel wil. Ik leg haar uit dat ik nóóit ijs in mijn borrel neem, en neem een slokje. Nu ben ik compleet ontspannen. Het begint weer te schemeren en de gietijzeren kachel verspreidt zijn heerlijke warmte. De kerstlampjes floepen aan. Ach ja: zo houden we het wel uit.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.