Als ik op donderdagochtend wakker word hoor ik de verwarming vrolijk draaien. In deze winter is dat de eerste geruststelling die ik op dagbasis nodig heb. Buiten is het nog donker, maar de lampjes die sinds kerst mijn tuin verlichten laten een feeëriek schouwspel zien: alles onder de witte, zachte en ongeveer 60 cm dikke deken. Het is doodstil buiten. Alles glinstert. Af en toe hoor je iets kraken.

Mijn ochtendritueel is dezer dagen als volgt: naar buiten om hout te halen voor de haard – en de haard aanmaken. Dan weer naar buiten om sneeuw in pannetjes te scheppen, want stromend water is er nog steeds niet. Die luchtige, pluizige sneeuw smelt ik in een pan en ik heb geleerd dat er wel 10 kleine pannetjes sneeuw de halve soeppan vullen met water. Met dit water wordt dan koffie gezet, wassen we ons en spoelen we de wc door – die ik ’s nachts een scheut spiritus geef tegen het eventuele dichtvriezen. Daarna kijk ik op mijn dappere weerstationnetje, dat het nog steeds volhoudt, en wat ik zie is onwerkelijk: kan dit? In mijn tuin is het nu -24,6 graden op neushoogte. In een dorp. Hoe zal dat zijn in de rest van de Benelux?

Nieuwe records

In tegenstelling tot wat je zou verwachten, is het vrij rustig op Weerwoord. Want de minimumtemperaturen van vannacht zijn ongekend: De Bilt -29,6, Lelystad -30,1, Eelde -32,4 en Woensdrecht -31,7. Maar ook Rotterdam (-30,1) en zelfs Vlissingen (-26,1) laten extreme waarden zien. Nou ligt Vlissingen natuurlijk niet meer aan het water, meer aan een ijsvlakte, maar toch. Ben heeft boven de sneeuw bij Nunspeet om 04:12 zelfs -36,4 gemeten. Dit alles bij totale windstilte, een sneeuwdek van ongeveer 50 cm, gort- en gortdroge lucht en een T850 van (op dat moment) -26 graden Celsius. Ik sprint meteen naar buiten want dit moet ik voelen, meemaken, ervaren. Door de droge lucht en het gebrek aan wind én de gewenning voelt het, zo in mijn ochtendjas (met een dikke trui eronder) niet eens zo hallucinant koud aan als het is. Wel hoor je overal dingen kraken en nu snap ik de uitdrukking dat het vriest dat het kraakt.

Als ik binnen de laptop weer openklap zie ik dat Seppie op Weerwoord in de verte Licht in de Duisternis ziet: ongeveer een kwart van de EC-pluim laat naar het eind van de week snel oplopende temperaturen zien. ‘Ons’ hoog zakt in deze scenario’s richting centraal Europa en we zouden in een zuidweststroming terecht komen. De Oper wil er niets van weten, tempert de vorst weliswaar een beetje, maar van een einde an het Winterweer wil hij niets weten. De Controlerun ook niet. GFS gaat juist voor een bestendiging van deze vorst: in hun scenario stagneert deze koudebel boven onze regionen en daarna worden de kaarten vaag: geen stroming en geen dynamiek. Het ‘deksel’ gaat er in dit scenario zogezegd op. We zullen zien. Mocht de vorst overigens getemperd worden, dan zou eindelijk de Elfsteden Toertocht gereden kunnen worden, die nu al weken is uitgesteld wegens te koud weer, te veel sneeuw en algehele landelijke crisis. De kaart van vandaag is in elk geval eentje om te bewaren:

Op avontuur

Vandaag moet ik voor een controle naar het UMC in Utrecht en ik ga dat gewoon proberen. Het advies luidt nog steeds: alleen rijden als het echt moet, maar een controle CT-scan lijkt me in die categorie te vallen dus ik ga op pad. Althans: dat is het plan. Mijn auto heb ik al een week niet meer gestart of gezien en ik moet hem eerst maar eens uitgraven. En hem maar eens zien te vinden. Het is een diesel dus ik vrees het ergste. En inderdaad: als ik hem probeer te starten gebeurt er helemaal niets. Het gezwoeg van de startmotor klinkt luier en luier en ik stop de startpogingen. Maar een vriend in de straat wil mij zijn splinternieuwe Polootje wel lenen – die rijdt op benzine, en die springt in één keer aan. Mooi. Met vereende krachten duwen we de auto naar waar we denken dat de straat is en ik glibber over een soort karrenspoor in de sneeuw de straat uit. Sowieso zie je nergens asfalt of straatstenen. Als ik de rotonde bereik om de A12 op te draaien bedenk ik me, hoe klein mijn universum de afgelopen maanden eigenlijk geworden was. En niet alleen het mijne: heel Nederland heeft hier natuurlijk last van. Je ziet bijna geen auto’s rijden. De sneeuw kraakt en piept onder de banden van het Polootje. Buiten is het -22. Binnen heb ik de verwarming op 28 graden gezet, gewoon omdat dat kan. Ik wil wel weer eens doorstoofd raken tot op het bot.

Op de A12 is nog maar één rijstrook beschikbaar. Het is abstract: waar normaal ongeveer 40 meter breed vierbaans asfalt te zien is, is het nu een witte vlakte met in het midden een vage bobbel waar de vangrail moet zijn en aan onze kant ervan een zielig spoor. Maar de paar auto’s die daar met de toegestane 70 km/h overheen tuffen vormen geen probleem. Ik moet wennen aan het uitzicht: een oranje zon komt op en beschijnt een totaal surrealistische wereld. De bomen langs de A12 zijn voor de helft gekapt. Sloten zijn onzichtbaar. Dorpen liggen als in Brueghelschilderijen ingesneeuwd. Na anderhalf uur bereik ik het UMC, parkeer en ga  – nagloeiend van de hitte – naar binnen. Ik ben anderhalf uur te vroeg. Dus gaapt er een gat van tijd: wat te doen? Ik besluit een beetje door het enorme en lege complex te gaan zwerven (het is hier warm). Een broeder herkent me en we maken een babbeltje. Ja, het gaat allemaal goed en ja, wat een gedoe he? Dan ineens flapt mijn vraag eruit: of ik misschien ergens mag douchen? Hij moet lachen: ik ben niet de enige, blijkt. Ook zijn waterleiding doet het niet meer, hij kent het probleem, en als ik dáár (hij wijst) linksaf ga is er een ‘natte cel’ waar nooit iemand komt. Neem zoveel tijd als je wilt, zegt hij, en dat doe ik dan ook.

Dagboek:

Vandaag dik een uur onder een warme douche gestaan in het UMC, daarna gescand. Dit was de lekkerste douche die ik ooit genomen heb. En de langste. En de heetste.

Na de scan rijd ik door het bijna lege poollandschap weer terug. De zon schijnt en overal is maar één rijbaan beschikbaar. Op de radio gaat het over de kou en de problemen die het in heel Europa oplevert. Politici proberen er een slaatje uit te slaan door het kabinet op allerlei tekortkomingen te wijzen. De berichten komen uit heel noordwest-Europa, maar het zwaartepunt van deze uitzonderlijke toestand lijkt toch in Nederland te liggen. Wij worden vooral zo zwaar getroffen omdat ons land een transportland is, en laat dát nou net stil liggen. Dat is verder weinig nieuws. Wat wel nieuws is, is dat het Nederlandse leger zal worden bijgestaan door onder meer Franse troepen, om de noodvoedselvoorzieningen en de transporten mogelijk te maken. Met manschappen en materieel merken we eindelijk iets van Europese solidariteit. De weersverwachting is nogal saai (‘de komende dagen blijvend rustig met overdag matige tot strenge, ’s nachts vaak zeer strenge vorst’) maar sluit af met: ‘begin volgende week mogelijk tempering van de vorst’. Kijk. Nooit gedacht dat ik daar vrolijk van zou worden. Het is nu half twee ’s middags en buiten vriest het 14 graden. De zon schijnt en alles schittert in het gouden licht.

Leuke dingen

Het gebrek aan neerslag en wind zorgt ervoor, dat het openbare leven in het verloop van de week voorzichtig weer op gang komt. Winkels gaan weer open, wegen worden sneeuwvrij gemaakt, de grote steden steeds beter bevoorraad. En, na weken wachten, wordt de IJsselmeertocht uitgezet door de ANWB. Het ijs is op plekken meer dan een halve meter dik en kan met gemak de auto’s dragen die, voor het eerst sinds 1963, de route over het IJsselmeer zullen gaan rijden. En ook de treinen beginnen voorzichtig weer te rijden. Voor de zoveelste keer deze winter heeft Nederland zich aangepast aan een nieuw ‘level’ van ontberingen en ik bewonder het uithoudingsvermogen van de mensen. En ik realiseer me wat het weer en weerbeleving met mensen doet: het leven is met -6 en een stormachtige oostenwind met stuifsneeuw een stuk onaangenamer dan nu, met een zonnetje, géén wind maar -11,1. De mensen die je tegenkomt kunnen weer lachen en zoeken elkaar weer op, maken een babbeltje en maken er het beste van.

Als ik thuiskom staat er een enorme uitstalling voedingsmiddelen op de eettafel, met een trotse vrouw ernaast. Dit keer geen kleffe natte taartvulling maar zinvolle etenswaren: bonensoep, sperziebonen, goulash, gehaktballen, corned beef. En zowaar: lang houdbare melk. En nog zowaarder: kaas, pasta, blikken tomaat, boter, een zak pinda’s  en een door de kou geheel troebele fles olijfolie. En drie kilo zout. En twee broden. Als ik vraag hoe ze eraan komt zegt ze: ‘gewoon geregeld’.

Woordweer

Als ik ’s avonds op Weerwoord kijk is de discussie ouderwets levendig maar 180 graden gedraaid. De Seppianen zien in de nieuwe pluim de gehoopte dooiaanval aangekondigd: waar vanochtend nog een kwart van de pluim voor dooi ging, laat nu de helft van de berekeningen dit patroon zien. “Let maar op” zegt Seppie, “Dit wordt ‘m”. “Mij best” zegt Frank die deze winter toch vooral vaak vaststelde dat hij zijn bierkratten kwijt was in de sneeuw, “ik wil wel weer eens aan het werk”. De preciezen gaan daar tegenin. “Het wordt altijd vanzelf koud” klinkt het vanuit Leiden, “Dus waar je die dooi vandaan haalt is me een raadsel”. Voorhout sombert dan het daar ‘wel weer zal blijven vriezen want we pissen er altijd naast’. Iemand roept iets over gele sneeuw en er is hilariteit; de sfeer wordt steeds luchtiger. Van mij mag het nu wel klaar zijn met die winter. Ooit, lang geleden, werd het in februari bijna 20 graden. Dat kan ik me gewoon niet voorstellen. Buiten trekt de wind een beetje aan, dus zo koud als de afgelopen nacht zal het wel niet worden. Het KNMI heeft de volgende verwachting: “Vannacht overwegend zeer strenge vorst. Vanuit het oosten mogelijk wat lichte sneeuw, dan enige tempering van de vorst tot streng. Wind zwak tot matig, uit zuidoostelijke richting”. Ach ja, het went.

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.