Nederland en Vlaanderen zijn op 21 december onherkenbaar veranderd. Waar ooit wegen sloten of meren te zien waren rest nu één witte vlakte. Alles is dichtgestoven, geen landschapskenmerken zijn meer zichtbaar. Rijkswaterstaat en het leger hebben dagen achtereen met man en macht doorgewerkt om de verkeershoofdaders weer vrij te maken, gestrande automobilisten te redden en zoveel mogelijk dorpen weer toegankelijk te maken. Maar het lijkt onbegonnen werk. De wind is gelukkig gaan liggen, waardoor wegen die eenmaal vrij zijn, dat ook blijven. Doordat het bijna windstil is en het ’s nachts opklaart zakt de temperatuur als een baksteen: in de nacht van 18 – 19 december meet De Bilt -24,3 graden. Vlak boven de sneeuw bij Lelystad wordt die nacht -28,8 gemeten, een officieus record.

De sneeuwdikte is ongekend. Op de Veluwe wordt op sommige plekken 140 cm gemeten, bij mij in de tuin schat ik 50 – 70 cm sneeuw. De sneeuwlaag zakt door zijn eigen gewicht behoorlijk in, stel ik vast na een paar dagen meten. Het openbare leven komt maar moeizaam op gang. In onze straat wordt met vereende krachten een pad vrijgemaakt maar we weten niet waar we met al die de sneeuw heen moeten. De gemeente heeft zich nog niet laten zien dus zijn we aangewezen op saamhorigheid. Mijn overbuurman gebruikt zijn aanhanger om de sneeuw even verderop op een hoop te gooien die inmiddels bijna 3 meter hoog is. Nooit gedacht dat te veel sneeuw voor dit soort problemen kon zorgen. Auto’s rijden niet en boodschappen doen we lopend. Langs de Rijn lopen is een hachelijke zaak omdat je niet meer kunt zien waar de kade ophoudt en de Rijn begint.

Op de weerkaarten is er nu wel, voor het eerst in weken, een grote en snelle verandering te zien. Het standvastige hoog, dat al weken ons weer bepaalt, verdwijnt eigenlijk vrij gemakkelijk en maakt plaats voor een depressie bij IJsland. Een deel van ‘Ons’ hoog wordt richting Polen gedrukt en daarmee zouden we in een warme, zuidwestelijke stroming terecht komen. Ik merk dat ik dat niet eens erg vind: deze hoeveelheid sneeuw is gewoon te veel en iedereen wil wel weer ‘gewoon’ zijn leven oppikken. Bovendien valt er zo niet te schaatsen. De Pluim laat zien dat de dooi bijna onvermijdelijk is, op een enkel lijntje na. De temperaturen zouden zelfs tijdelijk tot +13 kunnen stijgen en er wordt eerst veel regen verwacht.

Water water en nog eens water
En inderdaad: op 23 december, om 09:15 ‘valt’ Vlissingen. Ik sta in de tuin in de al zwaarder en natter aanvoelende sneeuw, die nu niet meer kraakt. En dan hoor ik gedruppel en zie ik op de bomen donkere, natte plekken ontstaan. Op Weerwoord post ik: “Bødegråvn is weer gewoon Bodegraven…Ik ga de tuinstoelen buiten zetten”. Dat ik mijn schuur niet in kan door de sneeuwberg voor de ingang zet ik er niet bij.

Een uur later begint het eerst zachtjes en dan steeds harder te regenen bij een aantrekkende zuidwestenwind. Een lauwe wind op mijn gezicht, en ik verwelkom hem. Door die natte lauwheid ontstaat er echter een nieuwe situatie: de riolering is vaak nog stijfbevroren en de grond ook. Het dooiwater kan dus nergens heen en hoopt zich onderin de kleffe sneeuwlaag op of blijft gewoon staan op straat. Die nacht van 23 – 24 december realiseert Nederland zich een nieuw probleem: dooiwateroverlast. Ik vind dat een mooi 3x woordwaarde-woord, maar het probleem is enorm. Bij mij sijpelt er water de keuken in en ik zie de straat veranderen in een laag zeer natte prut. Lager gelegen buren zijn met zandzakken in de weer. De enorme sneeuwvracht in ons land blijkt een waterreservoir van ongekende omvang te zijn dat nu snel vrijkomt. Omdat de ijslaag op sloten en vaarten behoorlijk dik is kan er niet of nauwelijks bemalen worden.

De week van Kerst tot Oud & Nieuw 2016 – 2017 zal niemand in de laaggelegen delen van de Benelux ooit vergeten. Het was de week van de Grote Kerstoverstromingen, een nieuw fenomeen in Nederland en wéér een unicum in deze merkwaardige winter, die nog niet eens op 1/3 de was. De temperatuur loopt op tot 13,7 graden op 29 december. Bij weinig wind en een zonnetje voelt het ronduit voorjaarsachtig aan.

Voorjaar?
Op oudjaarsdag maak ik een ritje in mijn omgeving. Het valt me op hoe snel en hoe veel er is weggegooid. De vele regen die de eerste drie dagen van de dooi-aanval is gevallen zal dat proces bespoedigd hebben. En de hoge minima: ’s nachts zakte het kwik drie dagen lang niet onder de 10 graden. Hier en daar liggen nog enorme sneeuwhopen en in de schaduw in de sloten is het nog wit, maar de Oude Rijn ligt deels weer open en je ziet weer gras. Alles is enorm drassig en nat, maar de situatie verbetert snel. Het zonnetje en de lauwe zuidwestenbries maken veel goed. Je hoort de hele tijd water stromen en druppelen. De mensen komen opgewekt hun huizen uit en knipperen tegen het licht. Op straat wordt er gesproken over deze brute winterperiode en algemeen is men blij dat het over is. Op het platteland is nog veel wateroverlast maar ook dat wordt snel minder.

De Pluim intussen waaiert alle kanten op en de onzekerheid begint al op +96. Krijgen we een herhaling van zetten of houdt het milde, voorjaarsachtige weertje aan? Of komt de Westcirculatie nu eindelijk op gang? De poolwervel is nog steeds zwak, en de modellen hebben daar moeite mee. Van mij mag alles eerst maar eens wegdooien; schaatsijs is wat we willen! In de hoek van mijn tuin, in de schaduw, overleeft het sneeuwduin de dooi maar wordt steeds kleiner. Ik ga er af en toe naar kijken om me te herinneren wat er in deze knotsgekke decembermaand allemaal gebeurd is.

Mijn verjaardag op 2 januari is het Vleesch noch Visch-weer: half bewolkt, Tmax 7,6, Tmin 3,4. wind ZZW 3 Bft. Naar het zich laat aanzien blijven we even in dit niemandsland.

Weerwoord
Op Weerwoord slaat de irritatie toe.
“Ik zei het toch” aldus de een, “deze winter stelt niets voor. Dit was een aardig decemberwintertje, meer niet.”
“Doe es normaal man”, zo een ander. “Er is nog nooit zo veel sneeuw gevallen. En -28,8 gemeten. Noem dat maar niets”
Seppie is terug uit zijn Yurt en ziet in de verte, op +240 nieuwe hogedrukimpulsen in het noorden en schrijft de winter nog niet af. “Het is pas net begonnen hoor!”
“Ik heb een krat bier teruggevonden” klinkt het enthousiast vanuit Doetinchem. “Die lag onder een halve meter sneeuw. Joepie!”
Interessanter zijn de discussies over wat er allemaal gebeurd is de afgelopen maand en wat er de oorzaak van geweest kan zijn. Niemand die het echt weet te benoemen. We vermoeden de zwakke poolwervel en de vroege split ervan. EC hint overigens op een nieuwe split, op afzienbare termijn, maar dat zien we dan wel weer. Mijn winterhart is in elk geval verzadigd geraakt.

Uit mijn dagboek:
6 januari 2017: Op de weerkaarten verschijnt nu toch steeds vaker ‘De Beer’. Een Noord-Siberisch hoog heeft retrograde neigingen en in de achterkamer daarvan is het nog steeds bitter koud. Ik ben benieuwd of het nog een keer lukt deze winter; dat zou leuk zijn. Zo’n steendroge en -koude transportkoumaand als februari 1986 – dat zou wat zijn zeg. Met mooi zwart glij-ijs. Of is dat nou teveel gevraagd? De vorstgrens ligt ergens in Wit-Rusland en daarachter vriest het gewoon nog streng tot zeer streng dus wie weet…Vandaag trouwens iets normalere temperaturen: Tmax +3,5, Tmin -0,3. Het kan dus toch nog vriezen!

Op de weerkaarten is het nu rustig. De oceaan houdt zich koest en de straalstroom meandert vrolijk en sliertig wat de voorspelbaarheid op middellange termijn vrij laag maakt. We bevinden ons weer in een soort niemandsland, dit keer gevuld met maritieme lucht. Op de pool stijgt de luchtdruk weer en De Beer laat zijn neus zien rechtsboven op de WZ-kaarten. Zie ik daar nou 1055 staan?

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.